Deze website gebruikt cookies om de gebruikerservaring te verbeteren. Privacyverklaring

  • XSRF-TOKEN-protection
  • Browsersessie-ID
  • Cookie consent preferences
  • Analytics opslag
  • Advertentiegebruikersdata
  • Advertentiepersonalisatie
  • Advertentieopslag
30 oktober 2026

Startbanen: werken én Nederlands leren

Werken én Nederlands leren tijdens de inburgering. Het klinkt logisch, maar in de praktijk vraagt die combinatie veel afstemming. Startbanen moeten die combinatie eenvoudiger maken. In Sprank Magazine spreekt journalist Jessica Maas met deskundigen, onder wie onze directeur Wilma Roozenboom. Wat is er nodig om startbanen te laten slagen?

Gemeenten aan de slag 

Als het aan het kabinet ligt, gaan tachtig gemeenten aan de slag met startbanen: betaald werk dat mensen met een vluchtelingenachtergrond combineren met hun inburgering. Nu heeft slechts een kwart van de statushouders tijdens de inburgering een baan. Zeven proeven sinds 2023, onder meer in Rotterdam, Amsterdam en Eindhoven, laten zien dat het anders kan. Ongeveer 44 procent van de deelnemers kreeg een startbaan. Ook ervaren deelnemers werken als een effectievere manier om Nederlands te leren dan alleen taalles. Toch zijn er ook uitdagingen. Zo is het moeilijk om geschikte werkgevers te vinden, zijn werk en taalles lastig te combineren en is kinderopvang schaars. Wat is er nodig om startbanen te laten slagen, voor zowel werknemers als werkgevers? Vier deskundigen delen hun ervaringen en inzichten.

Jan Burger (WSD): het werkt, maar het kost veel

Werkontwikkelbedrijf WSD in Boxtel bedacht de startbaan al ruim voor de landelijke proef. Deelnemers kregen meteen een arbeidsovereenkomst en de uren taalles werden doorbetaald. Van de deelnemers aan de proef werkt 87 procent nog steeds waarvan 32 procent volledig uitkeringsonafhankelijk is. Manager Participatie Jan Burger vindt de grootste winst dat deelnemers onderweg zelfvertrouwen en motivatie kregen. Toch houdt hij de verwachtingen graag in toom. Een startbaan vraagt intensieve begeleiding, met tolken, opstartcoaches in de eigen taal en veel tijd van de werkgever. Dat maakt de aanpak duur, terwijl er voor de uitbreiding minder financiële steun is vanuit de overheid dan voor de proef. Burger vraagt zich ook af of wie fulltime werkt en ‘s avonds taalles volgt, nog energie overhoudt om de taal echt te leren. Taal en werk moeten samen optrekken, zegt hij, maar de huidige inburgeringsverplichtingen maken dat lastig.

Jaco Dagevos (Erasmus Universiteit): kijk naar de kwaliteit van werk

Jaco Dagevos, bijzonder hoogleraar Integratie en Migratie en senior onderzoeker bij Sociaal en Cultureel Planbureau, vindt het een goed idee om werk centraal te zetten in de inburgering. Hij vraagt wel om aandacht voor het soort werk. Wie achter een lopende band staat, geen collega’s spreekt en geen nieuwe vaardigheden leert, komt niet verder. In de praktijk botsen werk en inburgering bovendien vaak. Wie door werk een taalles mist, loopt achter met de taal, terwijl de termijn van drie jaar gewoon doorloopt. Dagevos pleit daarom voor een aparte B1-route waarin werk en taal samengaan, zodat per persoon bewust gekozen kan worden wat het beste past.

Mohammad Ali Roshan (Divosa): werk geeft betekenis en zelfvertrouwen

Jarenlang werkte Mohammed Ali Roshan als programmamanager bij Oxfam Novib in Afghanistan. In 2022 werd hij met zijn vrouw en vier kinderen door de Nederlandse overheid geëvacueerd. Eenmaal in het azc begon hij direct met Nederlandse woorden leren, deed later examen op B1-niveau en solliciteerde veel. Werk op zijn niveau vinden bleek lastig zonder Nederlandse werkervaring. Via het UAF kreeg hij de kans om een praktijkdiploma loonadministratie te halen, en nu werkt hij als financieel-administratief medewerker bij Divosa. De combinatie van werken en leren, zoals bij startbanen, vindt hij heel goed. Een taal leer je volgens hem niet met een paar uurtjes les per dag. Op het werk oefen je met collega’s die je verbeteren als je fouten maakt. “Werk geeft betekenis en zelfvertrouwen”, zegt Roshan. “Ik heb weer regie over mijn leven.”

Wilma Roozenboom (Refugee Talent Hub) helpt werkgevers refugee ready worden

Voor Wilma Roozenboom, directeur van Refugee Talent Hub, klinkt aan de slag vanaf dag één als muziek in de oren. Refugee Talent Hub brengt al tien jaar nieuwkomers en werkgevers bij elkaar en hielp de afgelopen jaren meer dan 1.600 nieuwkomers aan duurzaam werk. Werkleertrajecten vragen veel afstemming, zegt ze, maar het kan: bij IKEA stroomde een groot deel van de honderden deelnemers door naar een betaalde baan, en bij Arcadis komen veel van de vijf tot tien nieuwkomers per jaar daarna in dienst. 

Het zijn echter volgens haar niet alleen statushouders die zich moeten voorbereiden op de Nederlandse werkvloer. Werkgevers moeten ook ‘refugee ready’ zijn. Daarom neemt Refugee Talent Hub hen mee in het denken over nieuwkomers als onbenut talent en ontzorgt de organisatie hen met tips voor onboarding en uitleg over subsidieregelingen. Dat de minister werkgevers oproept om de talenten van statushouders te zien, vindt ze goed. Maar dezelfde regering noemt migratie vaak een probleem. Die dubbele boodschap maakt het lastig, ook op de werkvloer.

Wat dit betekent voor werkgevers

Startbanen lukken alleen als werkgevers meedoen, en dat vraagt meer dan een vacature openzetten. Het gaat om een werkplek waar mensen kunnen leren, collega’s die helpen met de taal en afspraken over de combinatie met taalles. Volgens Dagevos staan veel werkgevers ervoor open om bij te dragen, zolang het voor hen praktisch en haalbaar blijft. 

Daar sluiten we bij Refugee Talent Hub bij aan. We laten werkgevers zien welk talent nieuwkomers meebrengen en helpen hen om daar in de praktijk werk van te maken. Dat doen we door kennis en praktische tips te delen over werving en begeleiding, én door werkgevers en nieuwkomers met elkaar in contact te brengen.

Lees het hele artikel in Sprank Magazine.

Meer lezen?

Ontdek meer op onze kennisbank